menu menu

In Memoriam de Schoonheidscommissie

In Memoriam de Schoonheidscommissie

       

 

'In memoriam de Schoonheidscommissie' is een boekje dat is gedrukt en uitgegeven in 1982. Historisch Halfweg kreeg een exemplaar van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Het boekje schetst een conflict tussen het college van Burgemeester en Wethouders, de raadsleden, de ambtenaren en de in het leven geroepen Schoonheidscommissie (1915-1916). Het beschrijft de strijd tussen mensen, het veilig stellen van posities en de manipulaties; dat is iets van alle tijden en speelde dus ook toen. De colofon - in het boekje achterin gezet, door ons aan het begin van het verhaal geplaatst – maakt meer duidelijk. De brief van de heer Van Loghem - lid van de Schoonheidscommissie waar dit geheel om draait - laat niets aan duidelijkheid te wensen over. In het 'Nawoord' geeft de heer W. de Graaf weer wat de omstandigheden waren die hebben geleid tot de brief van Van Loghem.

Waarom er zo'n fraai gebonden boekje over dit onderwerp is uitgegeven, weten wij niet. De reden dat wij het verhaal plaatsen is onze verwondering over hoe zaken in de gemeente kunnen lopen en wat de verschillende rollen zijn die mensen al dan niet bewust op zich nemen.

Hoofdrolspelers van de kant van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude zijn:
- Burgemeester A.B. Michielsen (in functie 1912-1919)
- Gemeenteopzichter  H.A. de Graaff jr. (in functie 1901-1944)
Betrokken wethouders  en raadsleden zijn bij plaatsing van dit verhaal (augustus 2014) bij ons nog niet bekend.

ir. J. B. van Loghem b.i.

IN MEMORIAM DE SCHOONHEIDSCOMMISSIE VAN HAARLEMMERLIEDE C.A.

Uitgever Avalon Pers

't Was geen geringe verdienste van den burgemeester van Haarlemmerliede c.a., om in een gemeente van zooveel boeren een schoonheidscommissie in het leven te roepen. Maar de uitkomst heeft geleerd, dat de domme brute kracht het weer gewonnen heeft van het begrip. Van den aanvang af hebben we gevoeld, een zwaren kamp te zullen moeten voeren. We hebben daarom met lankmoedigheid bezwaren uit den weg geruimd en toegegeven, als het eenigszins mogelijk was, altijd in de hoop, dat kalm overleg het moest winnen. De uitkomst heeft het tegendeel bewezen. De verhoudingen in de gemeente waren dan ook bijzonder slecht, om een succes te kunnen boeken. De gemeenteopzichter tevens particulier architect en aannemer was tot voor ons optreden de man, die kwam, zag en overwon.
Hij kwam als particulier architect, beoordeelde zijn plannen als gemeentearchitect, terwijl hij weer als particulier architect zichzelf als aannemer bij den bouw controleerde, als gemeentearchitect zichzelf als privé bouwmeester aan de gestelde eischen herinnerde, en zich verkneukelde, wanneer hij zijn eigen bouwgrond zoo voordeelkundig verkavelde. En deze man, deze geweldige figuur zag ons komen, voelde terstond, dat er aan zijn voetstuk geschud zou worden. En er. werd aan zijn voetstuk geschud, toen het eerste plan, dat we ter beoordeeling kregen, van dezen bouwvorst was.
Het bleek een jammerlijk vorst te zijn, en hoewel we hem dit op de meest kiesche wijze hebben moeten meedeelen, heeft hij het toch moeten voelen. Vanaf dat oogenblik is de campagne tegen de commissie begonnen; in dagbladen en vergaderingen is gestookt en geïntrigeerd, totdat de stroop in de hoofden der boeren in de warme Meimaand in beweging kwam. Dit werd onze val. De raad poogde ons in een speciaal bijeengeroepen vergadering te doen vallen, doch, daar wij ons ontstaan aan B. en W. te danken hadden, moest de vergadering zonder besluit uiteengaan. Ons bestaan werd daardoor nog eenige dagen gerekt.
Doch in een vergadering van B. en W., waarbij de Schoonheidscommissie uitgenoodigd was, bemerkten we dat de boer niet vreet, wat hij niet kent. Anderhalf uur zijn de burgemeester en twee der leden van de commissie bezig geweest om te pogen in die mooi laag gewelfde schedels een enkel lichtje te ontsteken, en wanneer de kraaloogjes in het vette gezicht van den een begonnen te lichten, en als de vrome zemelen kop met het ringbaardje van den ander zacht zijdelings ging overhellen, onder het gesmak van brave lippen, dan dachten we, de stroop komt in beweging.
Maar we kenden de boeren psyche nog niet. Achteraf beseften we, dat die glimoogjes en smaklippen niets anders beteekenden dan: 'praat maar raak, jullie belemmeren ons in onze bewegingen, dus jullie motte weg. ' Want na anderhalf uur van vernuftig en slim betoogen (de mensch is taai en geslepen, als hij zijn einde voelt naderen) werd ons lot of liever het lot over de schoonheid van vele dorpen en uitgestrekte landerijen, geveld door de woorden der wethouders-veeboeren: 'Laten we nou maar geen woorden verspillen, want we zijn hierheen gekomen om de Schoonheidscommissie op te heffen.'
't Was een gevoelige klap, die we kregen, niet in onze kwaliteit van leden der Commissie, maar gewoon als menschen, die blijk hadden gegeven den aard van hun eigen boerenstand totaal niet te begrijpen.
Intusschen heeft mij dit geval weer eens doen zien, dat het te gek wordt in ons land met de stedelijke regeeringen, en dat het meer dan tijd wordt, dat de wethouders, niet door politiek gepeuter op het kussen komen, maar zoo als in Duitschland door de regeering uit deskundige menschen benoemd worden, en ook alleen door die regeering ontslagen kunnen worden. Laten wij te dezer zake actief zijn.

Nawoord

Burgemeester A. B. Michielsen - bij K. B. van 13 december 1912 benoemd tot eerste burger van Haarlemmerliede cum annexis was geen groots en meeslepend gezagdrager, maar een met veel tact, optimisme en goede wil toegerust bestuurder die hart voor de hem toevertrouwde gemeente had en haar belangen onverminderd en met verve diende. Dat hij deze kwaliteiten paarde aan een gefundeerde visie met betrekking tot de toekomst van Haarlemmerliede, kwam ondermeer tot uiting toen in de voorzomer van 1915 een nieuwe plaatselijke bouwverordening moest worden opgesteld. Het leek hem, hield hij zijn medebestuurders omstreeks die tijd voor, een klemmende noodzakelijkheid de nieuwe bouwverordening uit te breiden met een bepaling die ruimte schiep voor het instellen van een Schoonheidscommissie, welke het college van B. en W. in de toekomst van advies zou kunnen dienen als het esthetische voorlichting verlangde bij het beoordelen van ingekomen bouwplannen. Dat het tot die tijd aan goede en verantwoorde voorlichting had ontbroken was evident en behoefde geen nadere adstructie: de uiterlijke hoedanigheden van vele bouwwerken binnen de gemeente toonden het onbarmhartig aan.
Hoewel de twee wethouders die Haarlemmerliede op dat tijdstip telde geen toonbeelden van voortvarendheid waren, viel het voorstel van de burgemeester kennelijk al spoedig in goede aarde, want reeds op 28 juni 1915 volgde de bekendmaking dat 'bij besluit van B. en W. der gemeente een Schoonheidscommissie in het leven is geroepen.'
Twee dagen na deze afkondiging liet de burgemeester een drietal gelijkluidende brieven uitgaan, respectievelijk gericht aan de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, de Bond van Nederlandsche Architecten en de Bond Heemschut, met het verzoek ieder een lid beschikbaar te willen stellen teneinde daarmee een Schoonheidscommissie te kunnen formeren. Veel kon Michielsen daar namens de gemeente niet tegenover stellen. 'Het lidmaatschap' bracht hij de aangeschreven organisaties onder ogen, 'zal moeten worden waargenomen zonder eenige toelage(,) alzoo uit zuivere belangstelling. Noodige drukwerken zullen van Gemeentewege worden verstrekt en porto's vergoed.' Daarenboven kon in het vooruitzicht worden gesteld dat gemeenteopzichter H.A. de Graaff jr. - tot dat ogenblik de enige adviseur van B. en W. inzake bouwaangelegenheden - de nog aan te trekken commissieleden in de toekomst met raad en daad terzijde zou staan. Dat was alles. Prijzenswaardig besef van verantwoordelijkheid ten aanzien van gemeenschapsgelden scheen in Haarlemmerliede te zijn afgetroefd door onbegrijpelijke en in dit geval volstrekt misplaatste schrielheid. Deze onveranderlijk aan grutters toegemeten eigenschap bleek een der aangeschrevenen, de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, niet in het minst te zijn ontgaan. In een op 8 Juli 1915 gedateerde brief zegde zij B. en W. van Haarlemmerliede toe het aan haar gerichte verzoek in de eerstvolgende ledenvergadering te zullen voordragen, om na deze vriendelijkheid het College onverbloemd te confronteren met de vraag of het niet 'wenschelijk en billyk zou zijn den leden der Schoonheids Commissie de werkelijke reis-en verblijfkosten te vergoeden'.

Ontstond door deze vraag een gevoel van onbehagen, mogelijk zelfs van verlegenheid binnen het gezelschap van B. en W? Het geeft in ieder geval te denken dat het antwoord van B. en W. tot 31 augustus in de pen bleef alvorens aan het gemeentelijke briefpapier te worden toevertrouwd, niet zonder een onthullend en aan de werkelijkheid getoetst kijkje in de plaatselijke keuken te bieden. De aap die daarbij uit de mouw kwam, bleek over krachten te beschikken die het college van B. en W. met kennelijk ontzag vervulden. 'U begrijpt', schreef burgemeester Michielsen aan de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, 'dat deze (de reis- en verblijfkosten) bij menigvuldige bouwaanvragen voor drie leden nogal kunnen oploopen en al zullen wij in geen en deele de billijkheid van Uw verzoek betwisten, toch meenen wij, dat de Raad hiertegen bezwaar zou maken.'
Het zal B. en W. om deze reden ongetwijfeld tot opluchting hebben gestrekt dat een netelige vraag als deze haar vanwege de resterende aangeschrevenen bespaard bleef. De Bond Heemschut wees bij schrijven van 21 juli 1915 zijn eerste secretaris - A.W. Weiszman uit Haarlem - als lid van de te vormen Schoonheidscommissie aan, op 10 october gevolgd door de Bond van Nederlandsche Architecten die de eveneens in de Spaarnestad woonachtige A. P. Smits beschikbaar stelde. Ook de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst had intussen een van haar leden bereid gevonden in de Schoonheidscommissie zitting te nemen. Op 30 september 1915 liet zij B. en W. van Haarlemmerliede schriftelijk weten dat 'op de Algemeene Vergadering der Maatschappij ( ... ) de heer J. B. van Loghem tot lid der Schoonheidscommissie is benoemd.'
B. en W. hadden zich geen betere adviseur kunnen wensen, al zal hun hart aanvankelijk twijfel hebben gesproken toen zij in dezelfde brief onder ogen kregen' dat de heer Van Loghem ( ... ) toch gaarne de meening van Uw Raad omtrent vergoeding der noodzakelijke reis- en verblijfkosten der Commissieleden verneemt en het dus wenschelijk blijft vinden, dat een desbetreffend voorstel bij Uwen Raad alsnog wordt ingediend.' Hoewel aan dit klemmende verzoek nauwelijks te ontkomen leek, bleef het B. en W. bespaard een 'desbetreffend voorstel' bij de Raad te moeten indienen. Op welke wijze het college de dans wist te ontspringen blijft onachterhaalbaar, maar het is niet ondenkbaar dat het de eer van ir. J.B. van Loghem verre te na was deze aan het doel ondergeschikte kwestie op de spits te drijven. Daar was de toen 34-jarige Van Loghem een te beminnelijk mens voor en bovendien een te bevlogen bouwmeester die eerder al, in woord en geschrift, blijk had gegeven de esthetiek hoog in het vaandel te voeren en het algemeen welzijn een bewogen hart toe te dragen. Enkele jaren voorbij de definitieve opheffing van de Schoonheidscommissie van Haarlemmerliede legde hij van het laatste op onmiskenbaar duidelijke wijze getuigenis af door (in het begin van de jaren twintig) enkele tuinwijken, een ambtenarenwijk en een arbeiderswijk te ontwerpen, die niet alleen zijn grote maatschappelijke betrokkenheid weerspiegelden, maar waarmee ir. Van Loghem bovenal aantoonde dat het bouwen van huizen voor hem uiterst nauw verweven was met het welzijn van de bewoners. Nadat Van Loghem zijn bezwaren tegen de gemeentelijke krenterigheid kennelijk had overwonnen of terzijde geschoven, stond het college van B. en W. niets meer in de weg om tot installatie van de Schoonheidscommissie over te gaan. Op 4 november 1915 greep deze plechtigheid in het Raadhuis te Halfweg plaats, veertien dagen later feestelijk onderstreept met een van gemeentewege aangeboden rijtoer door Haarlemmerliede, die de kortelings geïnstalleerde deskundigen de gelegenheid bood de bestaande bebouwing in ogenschouw te nemen en de in staat van wording verkerende nieuwbouw vakbekwaam te commentariëren. In hoeverre de niet gevoteerde gelden tot dekking van de gemaakte reis- en verblijfkosten bij dit besluit een rol hebben gespeeld blijft duister, maar direct na het beëindigen van de rijtoer kwamen de leden van de Schoonheidscommissie in vergadering bijeen om de ingediende bouwplannen aan nauwgezette beoordeling te onderwerpen.

Het eerste plan dat hun onder ogen werd gebracht had betrekking op een winkelpand voor de firma Luyt in Halfweg, ontworpen door gemeenteopzichter H. A. de Graaff die al sinds jaar en dag zijn ambtelijke bezigheden profijtelijk combineerde met het exploiteren van een bouwbedrijfje, zonder dat deze verstrengeling van functies ooit tot problemen met de plaatselijke overheid had geleid of twijfel in haar gelederen had gezaaid ten aanzien van zijn geschiktheid als ambtenaar. Integendeel. De Graaff, die een schrander en doortastend man was, voldeed als gemeenteopzichter in ruime mate aan de gestelde eisen en verrichtte zijn ambtelijke bezigheden met ijver en grote toewijding. Haar tevredenheid ten opzichte van zijn ambtelijk functioneren bracht het college van B. en W. tot uiting door hem bijna ieder jaar in de drup te plaatsen als het gebruikelijke, maar zeer schaarse buitje gemeentelijke gratificaties viel. Aanmerkelijk minder tevreden over de prestaties van H. A. de Graaff waren de leden van de Schoonheidscommissie nadat zij kennis hadden genomen van zijn bouwtekeningen voor het nieuwe winkelpand van de firma Luyt. Er viel weinig te loven en veel te laken. 'De Commissie is van oordeel', rapporteerde Van Loghem in zijn kwaliteit van secretaris der Schoonheidscommissie aan B. en W. van Haarlemmerliede,' dat de ontwerper niet naar de zoo noodige eenvoud heeft gestreefd. De dakoplossing is minder gelukkig. De ramen op de verdieping zijn te willekeurig in het gevelvlak geplaatst, de winkelafdeeling is niet krachtig genoeg omlijst, terwijl de groote ingang van den doorrit door gemis aan een steunpunt op den hoek van het gebouw onbevredigend is.' De Schoonheidscommissie had een zucht geloosd - zij zou daar een harde, tot stormachtig aanzwellende tegenwind voor terug krijgen. Gemeenteopzichter De Graaff, toch al weinig gediend van de vreemde pottekijkers in de plaatselijke keuken, voelde zich na het rapport van de Schoonheidscommissie als enige stut en toeverlaat van B. en W. inzake bouwadviezen nagenoeg onmogelijk gemaakt en bovendien ernstig gedwarsboomd in zijn particuliere ondernemerschap dat tot die tijd onbelemmerd vrij spel was geboden.

Dat De Graaff zijn in de loop van de jaren vergaarde macht niet voetstoots wenste prijs te geven, zou spoedig duidelijk worden. Gedekt door zijn ambtelijke autoriteiten geruggesteund door de wetenschap dat de adviezen van de Schoonheidscommissie niet tot financieel heil en onbezorgde voortgang van zijn particuliere bouwonderneming beloofden te strekken, begon de gemeenteopzichter een eenzame guerrilla tegen de hem onwelgevallige indringers met het oogmerk zoveel mogelijk medestanders rondom zich te verzamelen. Het beoogde succes bleef hem niet onthouden. Nauwelijks nadat de Schoonheidscommissie haar advies inzake het bouwplan van De Graaff bij B. en W. had ingediend, kondigden de eerste tekenen van onmiskenbare dwarsdrijverij zich al aan, vermomd als vragen die waren ingegeven door zorg voor de gemeenschap en een hoge mate van verantwoordelijkheid. De gemeenteraad die tot dat tijdstip geen of nauwelijks belangstelling voor het reilen en zeilen der Schoonheidscommissie aan de dag had gelegd, wenste stante pede en in den brede te worden voorgelicht over de bevoegdheden die aan de commissie waren toegekend, waarbij voornamelijk de vraag centraal stond in hoeverre haar macht strekte bepaalde plannen op te houden of zelfs te torpederen. In aanmerking genomen dat de Schoonheidscommissie met haar werkzaamheden nog niet verder was gekomen dan het eerste rapport, is het evident dat achter de vragen die vanuit de Raad werden gesteld de kwaadwillige vinger van de gemeenteopzichter stak. Ook de beide wethouders begonnen reserves in acht te nemen als de Schoonheidscommissie ter sprake kwam of verdediging behoefde.

De enige die in het late voorjaar van 1916 nog pal stond was burgemeester Michielsen, dus diende ook dit belangrijke steunpunt van de Schoonheidscommissie te worden aangetast. De gemeenteopzichter was een vastberaden man die geen half werk leverde. Op 20 april 1916 had hij zijn kaarten zodanig geschud dat de raadsleden Vriesekoop, Kroon, Van der Vlugt en Vink rond de tafel plaats namen en zorg droegen voor een briefje dat de volgende dag onder ogen van Michielsen werd gebracht. 'Eedele achtbaaren Burgemeester', las de aangeschrevene, 'ondergeteekende leeden van den Raad vragen binnen acht dagen een vergaadering aan tot het houden eenner bespreekking over het voort bestaan der Schoonheids Commissie of niet.' Die 'bespreekking' zou uitstel moeten lijden tot dinsdag 2 mei 1916, des voormiddags 10 uur, voordat gemeentesecretaris C. Bergman uit de mond van 'de heer Vriesekoop, het woord verkrijgende' kon optekenen 'dat er uit de ingezetenen vele klachten over de werkwijze der Schoonheidscommissie opkomen, welke aIle kunnen worden vervat in deze eene, dat de commissie in hooge mate belemmerend werkt op den geregelden aanbouw in de gemeente.' Dat was nog niet alles. 'Men is algemeen van oordeel', vervolgde Vriesekoop in de weergave van de gemeentesecretaris, 'dat een dergelijke commissie hier een groote overbodigheid is.' Ook gemeenteraadslid Hartgerink meende een duit in het zakje te moeten doen, waarmee hij ongewild aantoonde dat een Schoonheidscommissie in Haarlemmerliede een allerminst overbodige, zelfs noodzakelijke weelde was. 'Hartgerink heeft gisteren', noteerde de gemeentesecretaris, 'een z.i. minder gepaste opmerking van de heer van Loghem moeten aanhooren over den bouw van een serre aan een hem toebehoorende woning op den Schalkwijkerweg, welke serre hij te Scheveningen had gekocht.' De 'minder gepaste opmerking van de heer van Loghem' zal stellig de moeite van het 'aanhooren' ruimschoots waard zijn geweest, want hij woonde sinds 1912 parallel aan de Schalkwijkerweg en kende daardoor de situatie ter plaatse voldoende om zich te kunnen voorstellen hoe de serre, die ooit deel uitmaakte van een patriciërswoning aan de Nieuwe Parklaan in Scheveningen, zou detoneren in het landschappelijk schoon van het oude Schalkwijk. De gemeenteraad had gesproken; het laatste en beslissende woord over het voortbestaan van de Schoonheidscommissie was aan B. en W.

Burgemeester Michielsen, die vrijwel alle aanvallen op de commissie met moed, beleid en trouw had gepareerd en die tot het laatst een onvervaard voorstander van dit adviserend lichaam zou blijven, ondernam een laatste poging tot behoud van de commissie door op vrijdag 2 juni 1916 de wethouders en de leden van de commissie bijeen te roepen voor een 'conferentie ( ... ) tot opheffing van eventueele bezwaren.' De bedoeling was goed en getuigde van optimisme, maar het mocht niet baten. De wethouders hadden intussen het hoofd zonder merkbare weerstand voor de gemeenteraad gebogen en waren gezwicht voor wat de burgemeester op 13 juni 1916 tegenover de redactie van het periodiek 'Bouwwereld' zou noemen 'een met inderdaad opmerkenswaardige kracht opgezette rel.'

Vrijdag 2 juni 1916 zou voor de gemeente Haarlemmerliede een dag met een zwarte rand worden, want op die datum werden niet de 'eventueele bezwaren' tegen de Schoonheidscommissie opgeheven, maar de Schoonheidscommissie zelf, met de stemmen van de beide wethouders voor. De enige die het hoofd niet boog was burgemeester Michielsen, ook niet toen hem door de Bond Heemschut - die haar eerste secretaris Weiszman zo welwillend beschikbaar had gesteld op scherpe toon werd gevraagd 'op welke wijze Uw College zich in de toekomst bij het beoordeelen van bouwplannen de vereischte esthetische voorlichting denkt te verschaffen.' Waardig, uitgebalanceerd en niet zonder een met ironie aangelengd vleugje humor antwoordde de magistraat: 'Op Uwe vraag wie nu de aesthetiek in deze gemeente zal beoordeelen heb ik reden om aan te nemen, dat de meerderheid van het College de bestaande bepaling voortaan als niet-geschreven zal beschouwen. Levert dat bezwaar op, dan zal men haar misschien uit de Bouwverordening verwijderen.'

Enkele dagen nadat hij dit antwoord aan de Bond Heemschut had doen toekomen mocht burgemeester Michielsen, op 17 juni 1916, de onvermengde waardering in ontvangst nemen die ir. J. B. van Loghem hem toezwaaide in de eerste regels van zijn waardige, maar allerminst welwillende artikel 'In memoriam de Schoonheidscommissie van Haarlemmerliede c. a.', dat in het 'Bouwkundig Weekblad' van die datum landelijke verspreiding vond. Dat Van Loghem, die een onvoorwaardelijk democraat was en daar tot zijn dood - op 26 februari 1940- bij talloze gelegenheden openlijk blijk van gaf, aan het slot van zijn stuk een niet geheel democratische maatregel van bestuur bepleitte, zal hem zijn ingegeven door de pas opgedane en diep teleurstellende ervaringen. Dat hij in zijn artikel Duitsland tot voorbeeld stelde, zal in 1916 hoegenaamd geen verbazing hebben gewekt. De korporaal Adolf Hitler uit Braunau deed omstreeks die tijd aan het Westelijk Front dienst als ordonnans in het leger van Kaiser Wilhelm II - het jaar 1933 ging nog schuil in de nevelen van een verre toekomst.

'Es ist eine alte Geschichte, aber immer bleibt sie neu .. .' Wat hier opnieuw tot leven in de tijd wordt gebracht, speelde zich af in Haarlemmerliede, halverwege Amsterdam en Haarlem, in de jaren 1915-1916. De gebeurtenissen hadden ook elders kunnen plaatsgrijpen. Een maatregel die het algemeen welzijn diende te bevorderen, werd onverbiddelijk geëlimineerd door een enkeling die eigen belang en geblesseerde eerzucht hoger stelde dan de belangen van een gemeenschap waarvan hij de dienaar was. Gemeenteraadsleden lieten zich door hem manipuleren; wethouders spande hij voor zijn wagentje dat een mestkar bleek te zijn.

Het is allemaal geschiedenis geworden. Onherroepelijk. Waarom dan dit alles nog eens opgerakeld? Het antwoord kan gegeven worden met een variant op een tekst van de onvolprezen Nescio: 'Er is in de loop van de jaren veel veranderd', zegt de ouwe sok. Er is hoegenaamd niets veranderd.

W. de Graaf

  

Manufacturenwinkel van G. Luyt in de Haarlemmermeerstraat te Halfweg: links 1920 (pand achter de 2 mannen); rechts 1926