menu menu

A - Voedseldroppings na de bevrijding WO II in West-Nederland

A - Voedseldroppings na de bevrijding WO II in West-Nederland

 

Dat Nederland in mei 1945 kon worden bevrijd van de nazibezetting was niet in het minst te danken aan de Canadese troepen. Tot aan de dag van vandaag bestaat er een nauwe band tussen de twee landen en in Nederland worden jaarlijks herdenkingsceremonies gehouden voor de duizenden Canadese  soldaten die hun leven gaven voor onze vrijheid.

In het westen van Nederland was de bevrijding van grote steden als Amsterdam (7 mei), Rotterdam (8 mei) en Den Haag te danken aan het eerste Canadese legerkorps. Het eiland Schiermonnikoog werd als laatste stukje Nederland op 11 juni bevrijd. Deze strijd wordt ook gezien als het laatste slagveld van West-Europa. De Canadezen blijven hierna nog lang in Nederland – de laatsten repatriëren pas in februari 1946.

Een aantal van onze oudere medeburgers zal zich nog herinneren dat er vanaf de trucks en tanks sigaretten en chocolade werd uitgedeeld. De eerste weken delen deze bevrijders zelfs hun eigen rantsoenen met de hongerige bevolking. 

De discussie over noodhulp aan bezet Nederland  begint al in de herfst van 1944, maar die onderhandelingen verlopen uiterst moeizaam. De geallieerde blokkadepolitiek dicteert dat voedselhulp alleen uit neutrale landen binnen het blokkadegebied mag komen, onder de voorwaarde dat het de militaire operaties niet in gevaar brengt. Hulpverlening moet op de eindoverwinning op nazi-Duitsland volgen, en niet andersom. Hoewel de Rode Kruiszendingen begin 1945 een bijdrage leveren aan het verlichten van de honger en een belangrijke psychologische invloed hebben, zijn ze met slechts 5 kilo voedsel per persoon maar een druppel op de gloeiende plaat.

Pas in maart 1945 hervatten de besprekingen over geallieerde hulpverlening, in het bijzonder over de mogelijkheid om vliegtuigen in te zetten voor voedseldropping. De Nederlandse regering heeft dit idee al in november 1944 geopperd, maar richt zich dan nog op het verlichten van de voedselcrisis in bevrijd Zuid-Nederland. De Amerikanen konden zich in de plannen vinden, maar het Britse ministerie van Luchtvaart wilde eerst de militaire gevolgen onderzoeken.

 Een Amerikaanse B 17 bommenwerper gooit voedselpakketten in de buurt van Amsterdam (collectie NIMH). 

Als de discussies over voedselhulp zich niet langer op het bevrijde zuiden, maar op het bezette gebied gaan richten, keuren de geallieerden de voedseldropping helemaal af. De vliegtuigen moeten namelijk weggehaald worden uit belangrijke gevechtsoperaties. Bovendien is noodhulp aan West-Nederland in strijd met geplande hulpoperaties aan geallieerde krijgsgevangenen ‘welk project prioriteit heeft direct na de vereisten voor het verslaan van Duitsland’. Naast deze militaire bezwaren stelt men de gesprekken ook uit omdat onderzoek uitwijst dat een dergelijke operatie onmogelijk kan worden uitgevoerd met beschikbare vliegtuigen uit de Second Tactical Air Force – alleen zware bommenwerpers kunnen dit werk doen.

Toch gaan de geallieerden in maart 1945 de voedseldropping heroverwegen. Belangrijke drijfveer is de nieuwe schatting dat op 28 april de laatste voedselvoorraden in West-Nederland volledig uitgeput zullen zijn. Van dan af zullen 'op grote schaal' mensen door honger sterven. Bovendien heeft het Commando Western Holland District berekend dat het na de bevrijding nog enkele weken zal duren voor voedseltransporten over land kunnen plaatsvinden. De Duitse bezetter in Nederland is zich inmiddels bewust van zijn benarde situatie en wil onderhandelen. Op 2 april nodigt Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden Arthur Seyss-Inquart secretaris-generaal voor Economisch Zaken Hans Max Hirschfeld uit om te praten over het lot van West-Nederland.

Een aantal dagen gooien mist en storm de plannen in de war, maar als de lucht is opgeklaard stijgen zondagochtend 29 april de eerste Lancaster-bommenwerpers op van het Ludford Magna-vliegveld in de East Midlands. De eerste RAF-missie brengt 500 ton voedsel mee, die in navolging van routes en andere instructies die door Seyss-Inquart zelf zijn opgesteld, boven de vier aangewezen zones worden gedropt. Alle partijen komen overeen dat de voedseldropping zo snel mogelijk moeten uitbreiden naar 1.550 ton per dag, waarna bevoorrading over land en zee zal volgen.

Op radio Oranje wordt aangekondigd waar de droppings plaatsvinden. De vliegtuigen moeten lager dan honderd meter vliegen, zodat het voedsel goed kan landen. Na de droppings werken duizenden mensen mee om  het voedsel te verzamelen en te verdelen. Het eten zit in zakken of kartonnen dozen. 

In de gedropte pakketten zitten blikken kaas, boter, margarine en in poedervorm ei en melk. Gedropte chocoladerepen worden alleen aan kinderen uitgedeeld. Naast chocolade zit er ook ander snoepgoed in de pakketten, zoals karamel en kauwgom. Kauwgom is nieuw voor de Nederlanders en wordt meteen populair.

 https://youtu.be/AbjKerdXa0o

 Tien dagen lang, van 29 april tot en met 8 mei, droppen Britse Lancasters en Amerikaanse B-17-bommenwerpers voedsel boven West Nederland. Van de 5.294 vliegtuigen die ze hiervoor inzetten, gaan er maar twee verloren. Door onervarenheid met afwerpen zonder parachutes op lage hoogte verlopen niet alle droppings even soepel. Sommige pakketten komen in het water terecht, andere zelfs in mijnenvelden. Direct na de eerste RAF-vluchten trekt de Duitse Wehrmacht vrijwel al zijn troepen en artillerie weg. Het aantal Nederlandse vrijwilligers dat zich aanmeldt om te helpen is zo groot, dat de meesten moeten worden afgewezen.

 

Een jutezak en blikken met voedsel die duidelijk de sporen van de dropping dragen (Noord-Hollands Archief, Haarlem).
 

  

 

 

 

 

 

 


 

 

 

    Voedseldropping boven de Haarlemmermeer (Verzetsmuseum Amsterdam)

Raapploegen na voedseldropping, Haarlemmermeer nabij Schiphol (Noord-Hollands Archief)

De Duitsers stonden toe dat we via een zorgvuldig beschreven route over bezet gebied vlogen en vanaf lage hoogte voedselpakketten afwierpen. Als we van de route afweken waarschuwden ze ons met rode lichtsignalen, maar ze hadden beloofd niet te schieten. De Britten noemden hun deel van de operatie wijselijk en gepast ‘Operatie Manna’ – voedsel uit de hemel. Ik schaam me nog steeds dat de Amerikaanse naam voor de missie ‘Chowhound’ (veelvraat) was – een vreselijk woord dat tactloos gekozen was […]

Op 6 mei 1945 was ik de navigator in de eerste Amerikaanse B-17-bommenwerper. Voor zover ik me kan herinneren, hoorde ik pas die ochtend tijdens de debriefing dat we aan de operatie zou deelnemen. Het was onwaarschijnlijk om in een B-17 over continentaal Europa te vliegen en het gevoel te hebben dat ik daadwerkelijks iets goeds deed. Ik herinner me nog goed dat een arme koe zo van ons schrok dat ze weggaloppeerde – of dat althans probeerde – en vervolgens in de sloot belandde. Het meest bijzondere was wellicht dat de mensen ‘thank you’ in een tulpenveld hadden gespeld. Ik vond de operatie destijds fantastisch en dat vind ik nog steeds.’

Interview met dr. Richard C. Hall, oud-navigator US Eight Air Force (9 november 2016, Towson, VS).

In totaal droppen de geallieerden in die tien dagen ruim 10.000 ton voedsel. 7.800 ton kan gebruikt worden voor de centrale distributie, maar ook voor het bevoorraden van gaarkeukens, ziekenhuizen en hulporganisaties. In totaal komt de opbrengst neer op slechts 3 kilo per persoon in het hongerende westen. De psychologische meerwaarde van de voedseldropping is echter niet in getallen uit te drukken.

Door het gebrek aan transportmiddelen en de verwoeste infrastructuur duurt het tot 10 mei – vijf dagen na de bevrijding – alvorens noodhulp de bevolking mondjesmaat kan bereiken. Pas eind mei 1945 komen de rantsoenen weer boven de 2000 kcal. Nadat de voedselcrisis in de zomer van 1945 geheel is verlicht, dragen de geallieerden hun verantwoordelijkheden over aan de Nederlandse autoriteiten. Zij heffen op 9 juli 1945 de noodtoestand in West-Nederland op.

De voedseldropping maakt een einde aan de acute hongersnood, maar de schaarste is nog lang niet voorbij. 

Distributie van voedsel na de bevrijding

De eerste producten gaan pas eind 1945 van de bon. Hoewel na de bevrijding de distributie van groenten en fruit weer wordt hervat, zijn groenten nog tot april 1946 op de bon. Binnenlands fruit gaat in januari 1947 van de bon. Sinaasappelen en ander fruit uit Zuid-Europa zijn pas vanaf juni 1945 weer verkrijgbaar. Koffie is dan het laatste product dat weer vrij verkrijgbaar wordt. 

Distributiestamkaart

 

 

 

 

 

Om aan distributiebonnen te komen moest men in het bezit zijn van een zogenaamde distributie stamkaart. Wanneer men de bonnen had gekregen, kon men op in de kranten aangekondigde tijden de winkel bezoeken om  gerantsoeneerde producten te kopen. Omdat iedereen op hetzelfde moment zijn bonnen moest inleveren, stonden voor de winkels lange rijen. Men had geld en distributiebonnen nodig. Had men wel geld, maar geen bonnen, dan mocht er niet verkocht worden. Dit verdeelsysteem zorgde ervoor dat hamsteren en speculeren werd tegengegaan.

 Het distributiesysteem wordt in 1952 afgeschaft. 

Rij wachtenden voor sigaretten en andere tabakswaren, Dennenlaan 1945 (Noord-Hollands Archief)

 

Na de oorlog, 1946: Van schaarste naar overvloed (1995).  https://youtu.be/lwq-0GXhE0c

 

Bronnen: Verzetsmuseum Amsterdam
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederland
https://isgeschiedenis.nl/
https://noord-hollandsarchief.n
https://haarlemmermeergemeente.nl/informeer-online
https://vrt.nws